22 januari 2019
Huisvesting: sociaal of niet-sociaal?

In onze samenleving worden veel huisdieren gehouden. Maar houden we onze huisdieren eigenlijk wel op de juiste manier? Voorzien wij op het gebied van sociale huisvesting in de behoeften van onze huisdieren? In samenwerking met de Dierenbescherming is onderzocht hoe de meest gehouden huisdieren, waarbij risico bestaat op verkeerde sociale huisvesting, momenteel gehuisvest worden.
Door middel van enquêtes is gevraagd naar de sociale huisvesting van verschillende huisdieren. De enquêtes zijn onderverdeeld in de volgende diergroepen: hond, kat, konijn en knaagdier. In een periode van vier weken zijn respondenten in twintig steden door heel Nederland willekeurig aangesproken met de vraag om de enquête in te vullen (N=984). Op deze manier is getracht een zo representatief mogelijke groep huisdiereigenaren te bereiken. Onder andere is gevraagd hoe zij hun dier huisvesten, of het dier sociaal contact heeft met andere dieren en wat volgens de eigenaar de meest ideale sociale huisvesting voor zijn diersoort is, zoals in de figuur 'Ideale sociale huisvesting volgens de huisdiereigenaren' is te zien.

Hond
Bijna de helft van de hondeneigenaren (48%) geeft aan dat hun hond binnenshuis geen sociaal contact heeft met andere dieren. Buitenshuis (bijvoorbeeld in de tuin) heeft de hond volgens 37% van eigenaren geen sociaal contact. 89% van de honden heeft wel sociaal contact tijdens het uitlaten. Dit contact vindt zowel los als aan de lijn plaats. Ongeveer 1% van de honden uit de enquête wordt niet uitgelaten. Van de respondenten heeft 43% een kleine hond, 42% een middelgrote hond en 15% een grote hond. Van alle eigenaren geeft ongeveer 1% aan dat de hond niet in huis mag. Het merendeel van alle hondeneigenaren geeft aan hun hond individueel te huisvesten, namelijk 70%. Eén derde van de eigenaren geeft aan geen andere huisdieren in huis te hebben. Wanneer hondeneigenaren wel meerdere diersoorten huisvesten, is dat vaak een hond samen met een kat (20%).
Honden hebben van nature behoefte aan sociaal contact, aangezien het groepsdieren zijn. Er zijn richtlijnen voor beweging en mentale stimulatie om het welzijn van het dier te waarborgen. In de vergelijking met de literatuur, waarbij de natuurlijke behoefte aan sociaal contact benadrukt wordt, is het opvallend dat 48% van de honden in huis geen sociaal contact heeft met andere dieren. Een van de respondenten: “Honden in het algemeen kunnen beter in tweetallen of groepen worden gehuisvest, maar mijn hond doet het beter alleen”.
Onderzoek door studenten
Ken de lichaamstaal van je hond (in opdracht van Universiteit Maastricht)
Lichaamstaal is een belangrijke vorm van communicatie bij honden. Ze gebruiken voornamelijk hun kop en staart om te communiceren. Als een hond gestrest is, zal hij hoogstwaarschijnlijk verschillende stresssignalen vertonen, zoals geeuwen, zijn oren naar achteren zetten, zijn oogwit laten zien of zijn hoofd wegdraaien. Wanneer deze stresssignalen niet op tijd worden herkend, kan dit leiden tot een agressieve reactie. Om mogelijke gevaarlijke situaties te voorkomen is het belangrijk om deze stresssignalen tijdig te herkennen.
Om te onderzoeken in hoeverre mensen stresssignalen kunnen herkennen bij honden, hebben studenten ‘Toegepaste Biologie’ van HAS Hogeschool een ‘Hondenemotie-onderzoek’ uitgevoerd. In dit onderzoek werden leken, hondeneigenaren, honden-trainers en gedragsspecialisten gevraagd om het stressniveau van honden op zestien verschillende foto’s te scoren (N=284).
De foto's van een gestreste hond kregen een significant hogere stress-score dan foto's van een niet gestreste hond. Dit betekent in principe dat respondenten met alle achtergronden stresssignalen bij honden kunnen herkennen. Toch is gebleken dat hondentrainers- en gedragsspecialisten stresssignalen beter kunnen herkennen. Ook respondenten die veel tijd doorbrengen met hun hond(en), konden stresssignalen beter herkennen. Om mogelijk gevaarlijke situaties te voorkomen in de toekomst, is er meer educatie nodig over lichaamstaal van honden. Zo kan er een veilige omgeving worden gecreëerd voor zowel mens als hond.
Kat
Van de katteneigenaren geeft 29% aan dat de kat geen sociaal contact heeft met andere dieren in huis. Ongeveer 50% geeft aan dat de kat in huis sociaal contact heeft met een soortgenoot. Bijna de helft van de katteneigenaren (47%) geeft aan één kat in huis te hebben. Deze kat heeft vaak twee kamers tot zijn beschikking. Eén derde van de eigenaren heeft twee katten in huis. Deze katten hebben dan vaak meer dan drie kamers tot hun beschikking. Ongeveer 99% van de katten mag naar buiten. Een klein aantal van deze katten (4%) mag buiten het huis alleen in een afgesloten hok of ren, terwijl 42% vrij in de tuin en daarbuiten mag rondlopen.
Ongeveer 30% van de eigenaren geeft aan naast hun kat geen andere huisdieren te houden. Wanneer er wel meerdere huisdieren in huis worden gehouden, is dit vaak een kat samen met een hond (25%). Ook voor katten bestaan er richtlijnen die aangeven hoe een kat het beste gehuisvest kan worden. Een van deze richtlijnen is gericht op het aantal benodigde kamers (het aantal katten = het aantal kamers + 1). Deze richtlijn is één van de belangrijkste wanneer er wordt gekeken naar de beste huisvesting voor meerdere katten in één huis. De resultaten geven de indruk dat katteneigenaren een goed inzicht hebben in de behoeften van hun kat. Ze voldoen aan de richtlijnen uit de literatuur voor wat betreft het aantal kamers.
Konijn en knaagdier
Het merendeel van de konijnbezitters geeft aan dat het konijn sociaal contact heeft met soortgenoten binnen hetzelfde verblijf (53%). Ook de eigenaren van ratten (73%) en cavia’s (76%) geven aan dat het dier sociaal contact heeft met soortgenoten binnen hetzelfde verblijf. Daarnaast geven vrijwel alle hamstereigenaren (94%) aan dat de hamster geen mogelijkheid heeft tot contact met een soortgenoot. Verder geeft 59% van de konijnen knaagdierbezitters aan dat het huisdier geen mogelijkheid heeft tot sociaal contact met een ander diersoort.
Bij het onderwerp huisvesting geven konijn- en knaagdierbezitters aan hun huisdier(en) voornamelijk te huisvesten in een ren (29%) of in een afgesloten binnenkooi (26%). Uit de resultaten komt naar voren dat 53% van de konijnen, 71% van de ratten en 76% van de cavia’s de mogelijkheid heeft tot sociaal contact met een soortgenoot. Uit literatuur blijkt dat sociaal contact met een soortgenoot bij konijnen, ratten en cavia’s van groot belang is.
Hamsters worden voornamelijk op een goede manier gehuisvest, namelijk individueel.
De optimale huisvesting van katten
Het comfortniveau van een kat met betrekking tot zijn omgeving is intrinsiek gekoppeld aan de fysieke gezondheid, de emotionele gezondheid en het gedrag. Om het optimale comfortniveau van de kat te bereiken zijn vijf categorieën opgesteld die het kader vormen voor een gezonde kattenomgeving.
Het onderzoek is opgezet door een panel van experts, gespecialiseerd in het gedrag en in de gezondheid van katten, met als doel het creëren van minder stressvolle ervaringen bij de verzorging. De vijf categorieën zijn in het onderstaande kader weergegeven; drie categorieën worden nader toegelicht. De eerste en tweede categorie omvatten het bevorderen van een veilige plek en het ter beschikking stellen van verschillende, over de ruimte verspreide voorzieningen. Het bevorderen van een veilige plek vermindert stress bij de kat omdat een veilige plek de kat het gevoel van afsluiting, isolatie of afzondering geeft. Katten voelen zich veilig op hoge plekken waar mensen niet (bij) kunnen komen. Doordat een kat een mogelijke bedreiging niet ziet, voelt het dier zich veiliger. Wanneer een kat ontspannen is, kan de veilige plek ook als slaapplaats dienen. Als het gaat om een aantal van twee of meer ‘binnenkatten’ die samen gehuisvest zijn, dient iedere kat een eigen ruimte ter beschikking te hebben om zich terug te kunnen trekken. Ook moeten alle katten elkaar volledig kunnen ontlopen op momenten dat de dieren elkaar niet tolereren.
De derde categorie omvat de mogelijkheid tot spelen, jagen en territorium afbakenen. De kat dient altijd het natuurlijk gedrag te kunnen vertonen. Het natuurlijk gedrag van een kat bestaat uit spelen, jagen, territorium afbakenen en ruiken.
Iedere kat is anders en ieder individu heeft andere behoeftes. Echter, wanneer de vijf categorieën aangehouden worden, zal de optimale huisvesting en het optimale welzijn van iedere kat nagestreefd worden.
Emma van Leeuwen in samenwerking met kattengedragsdeskundige Maggie Ruitenberg
Vijf categorieën optimale huisvesting kat
• Categorie 1
Het bevorderen van een veilige plek.
• Categorie 2
Verschillende, over de ruimte verspreide voorzieningen, die betrekking hebben op eten, drinken, slapen, spelen, krabben en ontlasten.
• Categorie 3
De mogelijkheid tot spelen, jagen en afbakenen van het territorium.
• Categorie 4
De mogelijkheid tot het hebben van positieve, consistente en voorspelbare sociale interactie in de relatie tussen kat en mens.
• Categorie 5
Het bevorderen van een omgeving waar de reukzintuigen gestimuleerd worden.
Bronvermelding
Ellis. S. L. H., R. I. (2013). Feline Environmental Needs Guidelines. Journal of Feline Medicine and Surgery, 219-230.
Hop, L., Jans, M., Peters, H., Scholten, E., & Smit, I. (2019). Hondenemotie-onderzoek. Den Bosch: HAS Hogeschool.
Leenstra, F., Vinke, C., Dongen, M. v., Pasmooij, N., Leij, R. v., Ferwerda, R., & Stumpel, J. (2010). Ongerief bij gezelschapsdieren. Lelystad: Wageningen UR Livestock Research.
NVG. (z.d.). Feiten & cijfers over diervoeding.
Rochlitz, I. (2005). A review of the housing requirements of domestic cats (Felis silvestris catus) kept in the home. Applied Animal Behavoiural Science, 97-109.
Ruitenberg, M. (2019, juni 12). Huisvesting katten. (E. Van Leeuwen, Interviewer)
Trendpanel Gezelschapsdieren: Kwalitatief onderzoek. (2019). Kwalitatief onderzoek: Onderzoek naar motivaties achter keuzes die huisdiereigenaren maken. Den Bosch: HAS Hogeschool.
Van der Burgt, M. (z.d.). Hoe katten leren.
Emma van Leeuwen in samenwerking met kattengedragsdeskundige Maggie Ruitenberg
